Koudetechnische branche laat zien welke emissiereducties haalbaar zijn Toetsingsinstrument voor reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen.
Miep Verwoerd, TNO-MEP, Apeldoorn
NVvK Themamiddag: Dag van de Koude, 5 juni 2002
Samenvatting
Aan het door de NVvK en TNO ontwikkelde toetsingsinstrument ten aanzien van emissiereducerende maatregelen is door de koudetechnische branche een praktische invulling gegeven. Het toetsingsinstrument is verder uitgebreid met de posten energiegebruik en kosten, dit ter bepaling van de TEWI waarde en de kosteneffectiviteit. De branches hebben voor de vijf belangrijkste applicatiesectoren hun toekomstvisie gegeven ten aanzien van de toepassing emissiereductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen. De geleverde gegevens zijn met behulp van het toetsingsinstrument verwerkt tot mogelijke reducties van HFK’s, HCFK’s en CFK’s in de jaren 2005 en 2010. De kosteneffectiviteit van elke reductiemogelijkheid, wel of niet gecombineerd met een stimulerende maatregel, is eveneens bepaald. Uiteindelijk is de verwachte ontwikkeling van emissies weergegeven voor drie scenario’s
Summary
The Dutch Association of Refrigeration and TNO have developed a decision tool to implement a framework of measures to reduce the emissions of CFC’s, HCFC’s and HFC’s. The decision tool has been extended to include the items energy consumption and costs. In this way it is possible to determine the TEWI figure and the cost effectiveness. For the five most important application sectors, the refrigerant sectors gave their expectations for the future with respect to the application of reduction possibilities and stimulating measures. With the aid of the decision tool the data produced have been processed into possible reductions of (H)(C)FC’s for the years 2005 and 2010. The cost effectiveness of each identified reduction possibility without or with a stimulating measure, has been determined as well. Eventually, the expected development of direct and indirect emissions is given for three scenarios.
Inleiding
In het kader van het Reductieplan Overige Broeikasgassen (ROB, (K&L, augustus 2000)) en de daarbinnen opererende werkgroep Koudetechniek is door de NVvK en TNO een toetsingsinstrument ontwikkeld, gericht op het reduceren van emissies van HFK’s als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen.
De bedoeling is te komen tot een gestructureerd en kwantitatief onderbouwd toetsingsinstrument voor het nagaan van de effecten van emissiereductiemogelijkheden en de benodigde maatregelen ter invoering ervan. Dit alles uitgaande van de koudetechnische stand van zaken ten tijde van 1999.
Het toetsingsinstrument geeft een overzicht van de mogelijkheden om emissies in de koudetechniek terug te dringen. Het instrument is bedoeld om het reductiepotentieel van elke reductiemogelijkheid te kwantificeren. Verder bevat het model, het instrument, de benodigde maatregelen ter realisatie van de diverse reductiemogelijkheden en een afweging tussen inspanning en resultaat.
Ontwikkelfasen toetsingsinstrument
Het toetsingsinstrument is in drie fasen tot stand gekomen (zie figuur 1).
In de eerste fase is globaal het analysemodel opgezet [K&L, september 2000]. Dit model is gevuld met de resultaten van NOKS (Nationaal Onderzoek KoudemiddelStromen, [3]).
In fase twee is het ruwe instrument verder gevuld en is de nadruk gelegd op een aantal globale reductiemogelijkheden en de effecten ervan [K&L, november 2001].
In fase drie, waar dit artikel voornamelijk over gaat, is het model verder uitgebreid. De bepaling van TEWI is geïmplementeerd, dus de bepaling van zowel de directe als de indirecte emissies. De kostenaspecten zijn in deze fase eveneens meegenomen. Verder heeft er per applicatiesector een inventarisatie van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen plaatsgevonden.
Zoals uit figuur 1 blijkt, wordt in de loop der fasen de betrokkenheid van de NVvK steeds geringer en die van de koudetechnische branches belangrijker.
Fase 1 is gefinancierd door de NVvK, de fasen 2 en 3 door Novem. Het gehele project is begeleid door een commissie van de NVvK.
Figuur 1. Trajectontwikkeling toetsingsinstrument
Opbouw toetsingsinstrument
Het toetsingsinstrument is bedoeld voor het bepalen van emissies van koelinstallaties en warmtepompen, uitgedrukt in tonnen CO2-equivalenten per jaar [1, 2, 4]. Er wordt onderscheid gemaakt naar de belangrijkste applicatiesectoren met onderliggende subsectoren, zijnde:
· commerciële koeling,
· industriële koeling,
· transportkoeling,
· comfortkoeling automotive,
· stationaire airconditioning.
De applicatiesectoren ‘huishoudelijke koeling’ en ‘warmtepompen’ zijn apart beschouwd.
De jaarlijkse directe emissies worden berekend aan de hand van de volgende informatie:
· soort koudemiddel,
· aantal installaties,
· type systeem,
· gemiddelde koudemiddelhoeveelheid per installatie,
· gemiddeld jaarlijks lekpercentage per installatie,
· gemiddelde levensduur installatie,
· gemiddeld percentage emissie bij einde levensduur per installatie.
Verzamelen gegevens
Het verzamelen van de benodigde gegevens is per applicatiesector geschied. De applicatiesectoren zijn benaderd via contactpersonen, de voorzitters van zelf te formeren werkgroepen. Deze voorzitters waren vrij in de wijze waarop zij hun achterban hebben geraadpleegd. De voorzitters van de ‘werkgroepen’ zijn vertegenwoordigers van de relevante brancheorganisaties. Het geheel is door TNO begeleid.
Voor het verkrijgen van de juiste gegevens zijn vragenlijsten opgesteld.
In de vragenlijst zijn de volgende punten per subsector aan de orde gesteld:
· Huidige situatie
* controle waarden levensduur en emissie bij afbraak,
* investeringskosten, onderhoudskosten en energiegebruik.
· Toekomstige situatie
* verwachte ontwikkeling van het aantal installaties per type synthetisch koudemiddel in 2005 en 2010 (uitgangspunt is 1999).
· Reductiemogelijkheden
* voorziene reductiemogelijkheden (gericht op directe emissies),
* per reductiemogelijkheid:
- effecten reductiemogelijkheid op koudemiddelinhoud, lekpercentage en emissies in de afbraakfase,
- effecten reductiemogelijkheid op energiegebruik en levensduur,
- effecten reductiemogelijkheid op investerings- en onderhoudskosten,
- autonome implementatie reductiemogelijkheid in 2005 en 2010.
· Stimulerende maatregelen:
* per geïdentificeerde reductiemogelijkheid:
- maatregelen ter versnelling of vergroting van de implementatie van de reductiemogelijkheid, per maatregel:
. effecten combinatie reductiemogelijkheid en maatregel,
. implementatiegraad combinatie reductiemogelijkheid en maatregel in 2005 en 2010.
De vragenlijsten zijn door TNO verzameld en in overleg met de voorzitters van de werkgroepen volledig gemaakt.
Berekeningen toetsingsinstrument
De gegevens zijn vervolgens, soms na enige bewerking, als invoer voor het toetsingsinstrument gebruikt. Berekend zijn de volgende posten:
· de jaarlijkse directe en de indirecte emissies, uitgedrukt in CO2-equivalenten,
· de kosteneffectiviteit, uitgedrukt in k€ per vermeden ton CO2-equivalenten.
De berekeningen zijn uitgevoerd:
· per applicatiesector
* voor 1999, 2005 en 2010,
* voor elke reductiemogelijkheid,
* voor elke reductiemogelijkheid gecombineerd met elke bijbehorende stimulerende maatregel.
Aangenomen is dat de investeringskosten op annuïtaire wijze worden afgeschreven over de technische levensduur. De gehanteerde rentevoet komt overeen met de rentevoet zoals die gebruikt wordt bij de bepaling van de kosteneffectiviteit van milieumaatregelen, zijnde een compromis tussen de nominale kapitaalmarktrente en de interne rentevoet bij bedrijven.
Scenario’s
Op basis van de uitkomsten van de berekeningen is voor de verschillende applicatiesectoren de verwachte ontwikkeling van emissies bepaald voor een drietal scenario’s.
· Frozen technology
Dit scenario houdt geen rekening met technologische ontwikkelingen (reductiemogelijkheden), maar wel met de marktgroei en de verschuiving in de relatieve aandelen van CFK’s, HCFK’s en HFK’s in het totaal aan synthetische koudemiddelen.
· Autonome ontwikkeling
Binnen dit scenario wordt de verwachte ontwikkeling van emissies beschreven wanneer de geïdentificeerde reductiemogelijkheden worden geïmplementeerd, echter zonder stimulerende maatregelen specifiek gericht op emissiereductie. Met betrekking tot directe emissies is dit de meest waarschijnlijke ontwikkeling zonder aanvullende maatregelen.
· Potentieelscenario
Dit scenario beschrijft het effect wanneer de stimulerende maatregelen bovenop de autonome ontwikkeling worden geïmplementeerd.
Bij het combineren en selecteren van de reductiemogelijkheden en maatregelen is rekening gehouden met een aantal voorwaarden en met eventuele onderlinge afhankelijkheid. De gestelde voorwaarden zijn:
- acceptabele kosteneffectiviteit, niet meer dan € 50 per vermeden ton CO2-equivalenten,
- voldoende potentieel, de verwachte emissiereductie minimaal 1% van de totale H(C)FK emissie,
- geen of slechts beperkt effect op het energiegebruik. Het totaal van directe en indirecte emissies (TEWI) dient tot
verlaging te leiden.
Kwalitatieve benadering
De nauwkeurigheid van de aangeleverde gegevens is beperkt en daarom is alleen een kwalitatieve evaluatie mogelijk. Daartoe is de volgende sleutel ter beoordeling van de reductiemogelijkheden toegepast.
Tabel 1 Beoordelingssleutel
Emissiereductie |
Kosteneffectiviteit |
[%] |
|
[k€/vermeden ton CO2-eq.] |
|
³ 90 |
+++ |
<0 |
++ |
³ 10 en < 90 |
++ |
0 |
+ |
> 0 en < 10 |
+ |
> 0 en £ 0,05 |
+/o |
0 |
o |
> 0,05 en £ 0,1 |
o |
³ -5 en < 0 |
- |
> 0,1 en £ 1,0 |
- |
< -5 |
-- |
> 1,0 |
-- |
|
|
extra kosten en extra emissie |
--- |
De effecten van de reductiemogelijkheden en maatregelen zijn voor het jaar 2010 beoordeeld ten opzichte van de uitgangssituatie (Frozen Technology).
De reductiemogelijkheden voor de vijf applicatiesectoren zijn uiteenlopend van aard.
Commerciële koeling
Deze applicatiesector heeft vijf reductiemogelijkheden opgegeven. Tabel 2 geeft een overzicht van de effecten van de geïdentificeerde reductiemogelijkheden en bijbehorende stimulerende maatregelen.
Tabel 2 Commerciële koeling,
Overzicht van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen
Reductiemogelijkheid
(autonome ontwikkeling) |
Stimulerende maatregel |
Reductie directe emissies |
Reductie indirecte emissies |
Reductie TEWI |
Kosteneffectiviteit
(op direct effect) |
Kosten-
effectiviteit
(op TEWI)
|
Reductie koudevraag |
geen |
+ |
+ |
+ |
++ |
++ |
|
Voorlichting installateurs |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
Plaatsing op MIAlijst |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Indirecte systemen |
geen |
+ |
- |
- |
-- |
----* |
|
Subsidiering,
MIA-lijst |
++ |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Natuurlijke koudemiddelen |
geen |
+ |
- |
- |
-- |
----*
|
|
Subsidiering,
MIA-lijst |
++ |
- |
- |
|
|
|
Voorlichting |
+
|
- |
- |
|
|
|
Oplossing aansprakelijkeid koolwaterstoffen |
++ |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Verbeteren lekdichtheid |
geen |
+ |
o |
+ |
-- |
-- |
|
Afrekenbare emissiedoelstellingen |
++ |
o |
+ |
|
|
|
Verbeterde opleidingen |
++ |
o |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Modulaire opbouw |
geen |
+ |
o |
+ |
+/o |
+/o |
De ontwikkeling van de directe emissies van synthetische koudemiddelen is voor de drie onderscheiden scenario’s in figuur 2 weergegeven.
Figuur 2 Commerciële koeling, Ontwikkeling jaarlijkse directe emissies van synthetische koudemiddelen
Ondanks een lichte toename van het aantal installaties laat het frozen technology (FT) scenario een afname in emissies zien. Deze reductie wordt veroorzaakt door verschuiving in de aandelen van de typen synthetische koudemiddelen. Het autonome ontwikkeling (AO) scenario geeft aan dat in 2010 een reductie ten opzichte van 1999 van ongeveer 20 % mogelijk is. Implementatie van alle in aanmerking komende stimulerende maatregelen levert volgens het potentieel scenario een extra reductie van circa 10% op.
Industriële koeling
Deze applicatiesector voorziet zes reductiemogelijkheden. Tabel 3 geeft voor 2010 een overzicht van de effecten van deze reductiemogelijkheden en samenhangende maatregelen.
Tabel 3 Industriële koeling,
Overzicht van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen
Reductiemogelijkheid
(autonome ontwikkeling) |
Stimulerende maatregel |
Reductie directe emissies |
Reductie indirecte emissies |
Reductie TEWI |
Kosteneffectiviteit
(op direct effect)
|
Kosteneffectiviteit
(op TEWI)
|
Lekdichtheid verbeteren |
geen |
++ |
o |
+ |
-
|
- |
|
Afrekenbare emissiedoelstelling |
++ |
o |
+ |
|
|
|
Verbeterde opleiding |
++ |
o |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ammoniak als koudemiddel |
geen |
o |
o |
o |
- |
- |
|
Wettelijk kader aanpassen |
++ |
+ |
+ |
|
|
|
Opleiding NH3 installateurs |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
NH3 en CO2 als primaire koudemiddelen |
geen |
+ |
+ |
+ |
- |
o |
|
MIA-lijst |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
Opleidingen |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
Demoprojecten |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bewustwording gebruiker |
geen |
+ |
+ |
+ |
++ |
+ |
|
Voorlichting |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Optimaliseren van regelingen |
geen |
+ |
+ |
+ |
++ |
++ |
|
Voorlichting |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
Invoering EPN (energiewijzer) |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Indirecte systemen |
- |
+ |
- |
+/o |
- |
-- |
|
Plaatsing op
MIA-lijst |
+ |
- |
+/o |
|
|
De ontwikkeling van de directe emissies van synthetische koudemiddelen is voor de drie onderscheiden scenario’s in figuur 3 weergegeven.
Figuur 3 Industriële koeling, Ontwikkeling jaarlijkse directe emissies van synthetische koudemiddelen
Het AO scenario geeft een stijging in directe emissies van circa 50% in 2010 ten opzichte van 1999. In het FT scenario zou dit een verdubbeling zijn. Het potentieel scenario geeft ten opzichte van het AO scenario een reductie van zo’n 20%.
Transportkoeling
In deze applicatiesector zijn zes reductiemogelijkheden onderscheiden. Tabel 4 geeft voor 2010 een overzicht van de effecten van deze reductiemogelijkheden en samenhangende maatregelen.
Tabel 4 Transportkoeling,
Overzicht van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen
Reductiemogelijkheid
(autonome ontwikkeling) |
Stimulerende maatregel |
Reductie directe emissies |
Reductie indirecte emissies |
Reductie TEWI |
Kosteneffectiviteit
(op direct effect)
|
Kosteneffectiviteit
(op TEWI)
|
Lekdichtheid |
geen |
+ |
o |
+ |
- |
- |
|
Plaatsing op
MIA lijst |
+ |
o |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Aftapbeheersbaarheid |
geen |
o |
o |
o |
- |
- |
|
Verhoging betrokkenheid/inzicht |
+ |
o |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
R-410A |
geen |
+ |
o |
+ |
- |
- |
|
Beïnvloeding buitenlandse fabrikanten |
+ |
o |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
CO2 via warmtewisseleaar |
geen |
++ |
++*) |
++ |
++ |
++*) |
|
Plaatsing op
MIA lijst |
++ |
++ |
++ |
|
|
|
Opzetten netwerk vulstations |
++ |
++ |
++ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Stikstof versproeiing |
geen |
+ |
+ |
+ |
++ |
++ |
|
Plaatsing op
MIA lijst |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
Opzetten netwerk vulstations |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Reductie koudemiddelinhoud |
geen |
o |
o |
o |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
R&D, haalbaarheidsstudies |
+ |
o |
+ |
|
|
*) De indirecte emissies van wagens uitgerust met deze reductiemogelijkheid nemen gemiddeld met
circa 60% af . Hierbij is rekening gehouden met het energiegebruik voor het vervaardigen van vloeibaar CO2.
De ontwikkeling van de directe emissies van synthetische koudemiddelen is voor de drie onderscheiden scenario’s in figuur 4 weergegeven

Figuur 4 Transportkoeling, Ontwikkeling jaarlijkse directe emissies van synthetische koudemiddelen
Door meer toepassing van HFK’s laat het FT scenario, ondanks een toename van het aantal installaties, in de loop der tijd een daling in directe emissies zien. Het AO scenario levert in 2010 een reductie van ongeveer 45% ten opzichte van 1999 op. Het potentieel scenario houdt een verdere daling van emissies van synthetische koudemiddelen in, en wel 30% in 2010 in vergelijking met de verwachte autonome ontwikkeling.
Comfortkoeling automotive
Binnen deze applicatiesector zijn door de werkgroep alleen reductiemogelijkheden in beschouwing genomen die Nederland zelfstandig kan nemen. Het gaat om veertien reductiemogelijkheden. Tabel 5 geeft voor 2010 een overzicht van de effecten van deze reductiemogelijkheden en samenhangende maatregelen.
Voor de reductiemogelijkheden is de verwachting dat er niet of nauwelijks sprake zal zijn van een autonome implementatie. Alleen met behulp van stimulerende maatregelen zullen, naar verwacht, de geïdentificeerde reductiemogelijkheden in zekere mate toegepast worden. Bij deze applicatie sector komt het AO scenario overeen met het FT scenario.
Tabel 5 Comfortkoeling automotive,
Overzicht van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen
Reductiemogelijkheid
(autonome ontwikkeling) |
Stimulerende maatregel |
Reductie directe emissies |
Reductie indirecte emissies |
Reductie TEWI |
Kosteneffectiviteit
(op direct effect)
|
Kosteneffectiviteit
(op TEWI)
|
Onderdeel APK, lekdichtheid |
Aanpassing Wegenverkeerswet |
+ |
o |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Specifieke RLK |
Wettelijke aanpassing huidige RLK |
+ |
o |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Beoordeling constructie in APK |
Aanpassing Wegenverkeerswet |
++ |
o |
++ |
-*) |
-*) |
|
|
|
|
|
|
|
Voorlichting betrokkenen |
Beschikbaarheid voorlichtingsmateriaal |
+ |
o |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Opleiding/eindtermen betrokkenen |
Subsidie volgen airco opleiding |
+ |
o |
+ |
++*) |
++*) |
|
Aanpassen eindtermen |
+ |
o |
+ |
++*) |
++*) |
|
|
|
|
|
|
|
Ecotax op vulling/navulling |
Ecotax op (na)vulling |
+ |
o |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Betere rijopleiding |
Stimulering: opnemen elementen in opleiding |
+ |
o |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Afstandsherkenning personenauto's |
Aanpassing wetgeving |
+ |
+ |
+ |
++*) |
++*) |
|
|
|
|
|
|
|
Klimatronic-electronische besturing |
Plaatsing op
MIA-lijst |
+ |
- |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
(Retrofit) inschakelapparatuur |
Plaatsing op
MIA-lijst |
+ |
o |
+ |
++*) |
++*) |
|
ROB subsidie |
+ |
o |
+ |
++*) |
++*) |
|
Aanpassing wetgeving |
++ |
o |
++ |
++*) |
++*) |
|
|
|
|
|
|
|
Geen airco |
Verhoging BPM auto's met airco |
++ |
o |
+ |
++*) |
++*) |
|
|
|
|
|
|
|
Betere isolatie |
Beter geïsoleerd autoglas: MIA/BPM vrijstelling |
o |
++ |
++ |
--*) |
--*) |
|
Aanpassing typegoedkeuring auto's |
o |
+ |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Retrofit ventilatiemodule |
MIA-lijst/PBM-vrijstellinglijst |
o |
+ |
+ |
--*) |
--*) |
|
Auto.11b.II,
ROB subsidie |
o |
+ |
+ |
--*) |
--*) |
|
|
|
|
|
|
|
Vrijwillige airco-inspectie |
Elektronisch volgsysteem |
+ |
o |
+ |
--*) |
--*) |
*) exclusief extra kosten maatregel
De ontwikkeling van de directe emissies van synthetische koudemiddelen is voor de twee onderscheiden scenario’s in figuur 5 weergegeven.
Figuur 5 Comfortkoeling automotive, Ontwikkeling jaarlijkse directe emissies van synthetische koudemiddelen
Het FT/AO scenario laat door de sterke stijging in aantallen installaties eveneens een sterke stijging van de directe emissies zien. Het potentieel scenario verwacht in 2010 een halvering van de directe emissies ten opzichte van het FT/AO scenario.
Stationaire airconditioning
In deze applicatiesector zijn door de branche acht reductiemogelijkheden geïdentificeerd. Tabel 6 geeft voor 2010 een overzicht van de effecten van deze reductiemogelijkheden en samenhangende maatregelen.
Tabel 6 Stationaire airconditioning,
Overzicht van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen
Reductiemogelijkheid
(autonome ontwikkeling) |
Stimulerende
maatregel |
Reductie directe emissies |
Reductie indirecte emissies |
Reductie TEWI |
Kosteneffectiviteit
(op direct effect)
|
Kosteneffectiviteit
(op TEWI)
|
Verbeterd ontwerp |
geen |
++ |
++ |
++ |
++ |
++ |
|
Onderzoek naar
verbeterd ontwerp resp.
Voorlichting |
++ |
++ |
++ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Toepassen koolwaterstoffen |
geen |
++ |
++ |
++ |
++ |
++ |
|
Europese norm
aanpassen resp.
Voorlichting en
instructie resp.
Implementatie koolwaterstoffen |
++ |
++ |
++ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Aquifer voor seizoenopslag |
geen |
o |
++ |
++ |
+ |
++ |
|
Opslag koude resp. Informatieverstrekking, resp.
Bouwkundige constructie resp.
Implementatie resp.
Testinstallatie |
o |
++ |
++ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ammoniak toepassen |
geen |
++ |
+ |
+ |
+ |
+ |
|
Lekdichtheid onderzoek resp. Opstellingsruimte onderzoek |
++ |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Absorptiekoelinstallaties |
geen |
++ |
o |
+ |
o |
o |
|
Fabricage onderzoek resp.
Onderhoud onderzoek |
++ |
o |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vrije koeling |
geen |
+++ |
++ |
++ |
++ |
++ |
|
Ombouw resp.
Informeren van gebruikers |
+++ |
++ |
++ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Water als koudemiddel |
geen |
++ |
+ |
++ |
++ |
++ |
|
Onderzoek bronnen voor waterlevering |
++ |
++ |
++ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Reductie belasting / conditieuitgangspunten |
geen |
o |
o |
o |
n.v.t. |
n.v.t.- |
|
Integratie belasting e.d. resp. Convertertechnieken resp.
Energielabel resp.
Instructie en voorlichting |
o |
o |
o |
n.v.t. |
n.v.t. |
Per reductiemogelijkheid is aangenomen dat de bijbehorende maatregelen dezelfde uitwerking hebben.
Binnen deze applicatiesector leeft de verwachting dat stimulerende maatregelen nauwelijks effect hebben op de implementatiegraad van de onderscheiden reductiemogelijkheden in het jaar 2010. De maatregelen versnellen de implementatie hoogstens, maar in 2010 is dat, naar verwachting, niet meer merkbaar. Het potentieel scenario is bij deze applicatiesector niet aan de orde.
De ontwikkeling van de directe emissies van synthetische koudemiddelen is voor de twee onderscheiden scenario’s in figuur 6 weergegeven.
Figuur 6 Stationaire airconditioning, Ontwikkeling jaarlijkse directe emissies van synthetische koudemiddelen
Het FT scenario vertoont een sterke toename van de directe emissies door de toename van het aantal installaties. Het AO scenario laat een optimistisch beeld zien. Dit scenario voorziet ingrijpende veranderingen met als gevolg een stijging van slechts circa 50% in 2010 ten opzichte van 1999.
Ontwikkeling directe emissies
In figuur 7 is een overzicht gegeven van de directe emissies van synthetische koudemiddelen voor de vijf applicatiesectoren.
Figuur 7 Ontwikkeling van de jaarlijkse directe emissies van synthetische koudemiddelen
In het FT scenario nemen de directe emissies voor de vijf applicatiesectoren van 1,4 Mton CO2-eq. in 1999 toe tot 2,9 Mton CO2-eq. in 2010. Het AO scenario, dat de beste schatting van de ontwikkeling van de emissies vertegenwoordigt, voorziet een stijging van een 60 % van 1999 naar 2010, resulterend in een directe emissie van 2,2 Mton CO2-eq. in 2010.
Het potentieel scenario laat ten opzichte van het AO scenario een reductie van circa 25 % zien, uitkomend op een verwachte emissie van 1,7 Mton CO2-eq. in 2010.
Vooral de volgende drie combinaties van reductiemogelijkheden en stimulerende maatregelen zijn verantwoordelijk voor de verwachte emissiereductie:
- industriële koeling
* het stimuleren van de verbetering van lekdichtheid door verbeterde opleiding van monteurs en tegelijkertijd het definiëren van afrekenbare emissiedoelstellingen.;
* aanpassen van het wettelijk kader en creëren van opleidingen voor installateurs, zodat koeling met ammoniak of met de combinatie ammoniak en CO2 meer mogelijk wordt;
- comfortkoeling automotive
* het verplicht stellen van (retrofit) inbouwapparatuur voor het periodiek inschakelen van de auto-airco.
Ontwikkeling directe HFK-emissies
Daar het binnen het Kyoto-protocol alleen gaat om de HFK’s is in figuur 8 de verwachte ontwikkeling van de directe HFK-emissies weergegeven.
Figuur 8 Ontwikkeling van de jaarlijkse directe HFK- emissies
In de periode van 1999 naar 2010 zal een groot deel van de installaties overgaan van de toepassing van HCFK’s en CFK’s naar de toepassing van HFK’s (ozonlaagproblematiek, Montreal-protocol). De HFK-emissie zal in deze periode dus sterk stijgen. Dit geldt niet voor de applicatiesector ‘comfortkoeling automotive’ waar geen HCFK’s werden en worden toegepast.
Het FT scenario verwacht een stijging van 0,4 Mton CO2-eq. in 1999 tot 2,4 Mton CO2-eq. in 2010. In het AO scenario wordt een stijging in directe HFK-emissies verwacht tot 1,8 Mton CO2-eq. in 2010. De stijging vindt vooral plaats in de applicatiesectoren ‘stationaire airconditioning’, ‘comfortkoeling automotive’ en ‘industriële koeling’. Het potentieel scenario resulteert in een verwachte afname van emissies in 2010 van 0,5 Mton CO2-eq. ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
Ontwikkeling indirecte emissies
Naast de directe effecten op de emissies van synthetische koudemiddelen zijn ook de indirecte effecten door het energiegebruik in kaart gebracht. Figuur 9 toont voor de drie scenario’s de ontwikkeling van de indirecte emissies. Globaal zijn de indirecte emissies een factor in de orde van 10 hoger dan de directe emissies van synthetische koudemiddelen.
Het AO scenario laat zien dat in 2010 de indirecte emissies naar verwachting circa 0,7 Mton CO2-eq. lager zijn dan het FT scenario. Het potentieel scenario laat een verdere afname van circa 0,7 Mton CO2-eq. ten opzichte van het AO scenario zien. Uit de vergelijking van de directe effecten uit figuur 7 en de indirecte effecten uit figuur 9 blijkt dat de afname van de indirecte effecten zelfs groter is dan die van de directe effecten. Dit is des te opmerkelijker omdat de bevraging en gegevensverzameling voornamelijk gericht was op reductiemogelijkheden en maatregelen met betrekking tot de directe effecten en niet specifiek op efficiënte mogelijkheden voor energiebesparing.
Figuur 9 Ontwikkeling van de jaarlijkse indirecte emissies
Emissies andere sectoren
In de eerste twee fasen van de ontwikkeling van het toetsingsinstrument zijn ook de applicatiesectoren ‘huishoudelijke koeling’ en ‘warmtepompen’ onderscheiden. Voor deze applicatiesectoren zijn geen werkgroepen(voorzitters) geformeerd vanwege o.a. de geringe diversiteit, de overzichtelijkheid van de sector en/of de geringe bijdrage aan het totaal van broeikasgasemissies de koudetechniek.
Tabel 7 geeft op basis van expertmeningen en literatuurgegevens de verwachte emissies in 2010 zoals die zich autonoom zullen ontwikkelen, en de emissies in de referentiesituatie (1999) weer. De emissies zijn uitgedrukt in percentages van het totaal aan emissies van de vijf eerder behandelde applicatiesectoren.
Tabel 7 Emissies andere sectoren (relatief t.o.v. totaal 5 applicatiesectoren)
Jaar |
Huishoudelijke koeling |
Warmtepompen |
|
directe emissies
[%] |
indirecte emissies
[%] |
directe emissies
[%] |
indirecte emissies
[%] |
1999 |
ruim 10 |
circa 12 |
< 1 |
< 1 |
2010 |
< 1 |
circa 7 |
< 1 |
circa 3 |
Conclusies
Voor de vijf belangrijkste applicatiesectoren ‘commerciële koeling’, ‘industriële koeling’, ‘transportkoeling’, ’comfortkoeling automotive’ en ‘stationaire airconditioning’ zijn de volgende conclusies van toepassing:
· De directe emissies van de synthetische koudemiddelen nemen naar verwachting toe van 1,4 Mton CO2-eq. in 1999 tot naar schatting 2,2 Mton CO2-eq. in 2010. In deze schatting wordt rekening gehouden met zowel een toename van het aantal koude-installaties, verwachte verschuivingen in het toegepaste soort koudemiddel en autonome ontwikkelingen in de stand der techniek. Zonder autonome ontwikkeling (frozen technology) nemen de emissies toe tot een geschatte 2,7 Mton in 2010.
· De toename van directe emissies wordt vooral veroorzaakt door de applicatiesectoren ‘industriële koeling’, ‘comfortkoeling automotive’ en ‘stationaire airconditioning’.
· De verwachte reductie van directe emissies van synthetische koudemiddelen in 2010 door het toepassen van stimulerende maatregelen bedraagt naar schatting 0,6 Mton CO2-eq. ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
· De directe emissies van alleen de HFK’s bedragen in 2010 voor de autonome ontwikkeling naar schatting 1,8 Mton CO2-eq. en bij toepassing van stimulerende maatregelen (potentieel) naar schatting 1,3 Mton CO2-eq.
· De reductiemogelijkheden en bijbehorende maatregelen, gericht op reductie van directe emissies, leidt eveneens tot een daling van het energiegebruik en daarmee tot een reductie van de indirecte emissies. Voor 2010 wordt met stimulerende maatregelen een reductie van 0,7 Mton CO2-eq. voorzien ten opzichte van de autonome ontwikkeling.
· De indirecte emissies zijn vele malen hoger dan de directe emissies. Voor het broeikaseffect is het energiegebruik veel belangrijker dan de directe emissies. Te overwegen valt om energiebesparing de hoogste prioriteit te geven en de emissiereductie van synthetische koudemiddelen als afgeleide doelstelling te hanteren.
Kanttekeningen NVvK
De NVvK wil graag enkele kanttekeningen plaatsen bij de binnen de branches levende inzichten.
Industriële koeling
Deze applicatiesector neemt meer dan de helft van de directe emissies voor haar rekening. In deze sector is duidelijke milieuwinst te behalen indien het mogelijk zou zijn om in grotere installaties vrijwel uitsluitend van natuurlijke koudemiddelen (ammoniak of ammoniak/CO2) gebruik te maken. Ten opzichte van het FT scenario zou dit in 2010 een reductie van 0,5 Mton CO2-eq. opleveren.
Comfortkoeling automotive
Dit is een snelgroeiende sector. De branche heeft een reeks reductiemogelijkheden/maatregelen voorgesteld die resulteren in een aanzienlijke reductie in 2010 ten opzichte situatie zonder reductiemogelijkheden/maatregelen. Geen van de voorgestelde reductiemogelijkheden hebben betrekking op het ontwerp van het koelsysteem, omdat Nederland noch de airco noch de auto produceert. Wanneer deze beperking niet geldt, zou toepassing van koolwaterstoffen in combinatie met een indirect systeem een reductiemogelijkheid zijn. Ook een researchprogramma gericht op het benutten van beschikbare afvalwarmte is zeer de moeite waard. Een reductiepotentieel van circa 0,5 Mton CO2-eq. zou in 2010 kunnen worden gerealiseerd.
Stationaire airconditioning
De branche voorziet in deze applicatiesector ingrijpende veranderingen en verwacht dat deze ontwikkelingen vrijwel zonder stimulerende maatregelen tot stand komen. Een groot deel van de volumegroei wordt door deze emissieafname (circa 0,3 Mton CO2-eq.) gecompenseerd.
Commerciële koeling
De directe emissies zijn laag vanwege omdat in de referentiesituatie (NOKS-onderzoek [3]) de lekpercentages voor deze applicatiesector buitengewoon laag zijn. Bij grotere installaties verdienen indirecte systemen aandacht zodat emissies in het distributiegedeelte vermeden worden. Wel dienen andere energiebesparende maatregelen toegepast te worden om de indirecte emissies niet te laten toenemen.
Referenties
[1] M. Verwoerd
Toetsingsinstrument met betrekking tot maatregelen om het broeikaseffect te reduceren van koudemiddelen in koelinstallaties en warmtepompen
Fase 1: het ontwikkelen van een raamwerk
TNO-MEP R2000/286, juli 2000
[2] M. Verwoerd
Toetsingsinstrument met betrekking tot maatregelen om het broeikaseffect te reduceren van koudemiddelen in koelinstallaties en warmtepompen
Fase 2: nadere uitwerking en invulling
TNO-MEP R2001/338, juli 2001
[3] Koudemiddelverbruik in Nederland
Rapportage op basis van het Nationaal Onderzoek Koudemiddelstromen
Nulmeting over 1999,
STEK, E.A.A. de Baedts e.a.
Utrecht, 16 juli 2001
[4] M. Verwoerd, H. Oonk
Toetsingsinstrument met betrekking tot maatregelen om het broeikaseffect te reduceren van koudemiddelen in koelinstallaties en warmtepompen
Fase 3: Praktische invulling raamwerk
TNO-MEP R2002/243, mei 2002
|